Het geheugen van de vakbeweging

Uit de geschiedenis van de winkelstraat

Het artikel van Linda Vermeulen over ‘union busting’ in de detailhandel is de concrete aanleiding om ‘de winkelstraat’ eens verder te verkennen vanuit het perspectief van werknemers en vakbondswerk.


Ook al is dat niet altijd direct duidelijk: winkelpersoneel oefent een zwaar beroep uit, zowel lichamelijk als geestelijk. Bovendien werd en wordt het vaak slecht betaald. Veel misstanden, die al eind 19de eeuw aan de orde werden gesteld, en soms na vasthoudende vakbondsactie bij wet leken geregeld, blijken ook in 2026 nog herkenbaar aanwezig. Is het niet in de winkel zelf, dan wel in de inmiddels naar anonieme bedrijventerreinen verplaatste distributiecentra van de detailhandelsreuzen. Daar onttrekken de vaak mensonwaardige werksituaties van vooral migrantarbeiders zich gemakkelijk aan het oog van klant en consument.

Bob Reinalda, Linda Vermeulen en uw redacteur hebben de koppen bij elkaar gestoken, en een start gemaakt met een ‘collage’, die beoogt zicht te geven op de diversiteit en continuïteit (niet altijd ten goede) van ‘werken in de winkelstraat’.

 

Agitatie voor zitgelegenheid in winkels

Bob Reinalda – december 2025

Aletta Jacobs, de eerste vrouwelijke arts in Nederland, zag een verband tussen bepaalde gynaecologische afwijkingen (verzakkingen) bij vrouwelijke winkelbedienden en hun werk. Winkelpersoneel werd geacht te staan zolang de winkel overdag en ’s avonds open was.
Ondanks actie om stoelen in winkels te plaatsen, bleven deze vaak achterwege of mochten niet gebruikt worden. Jacobs, in 1879 als huisarts in Amsterdam begonnen, kreeg veel vrouwelijke winkelbedienden op haar spreekuur. Zij kon hun klachten enkel toeschrijven aan het feit dat zij elke dag uren aaneen moesten staan.

Van de dertien hoofdstukken in Jacobs’ Herinneringen (1924) is het zevende geheel gewijd aan haar inzet voor vrouwelijk winkelpersoneel. Winkelchefs die zij benaderde weigerden stoelen en collega-artsen steunden haar niet. Haar poging een artikel in het Sociaal Weekblad geplaatst te krijgen mislukte, omdat de redactie het verband ontkende.
De staatscommissie die in 1886 de toestand in fabrieken en werkplaatsen onderzocht, ging niet mee omdat winkels en magazijnen geen werkplaatsen waren. Inspecteurs van het geneeskundig staatstoezicht en van de arbeid waren welwillender, maar hadden geen wettelijke bepaling om te kunnen optreden.

Op aandrang van de winkelbedienden hield Jacobs vol. In 1894 zocht zij de publiciteit en plaatste oproepen in kranten. Zij kreeg nu wel een artikel in het Sociaal Weekblad. Ook benaderde zij vrouwenverenigingen en ontstonden plaatselijke vrouwencomités met de eerste successen.

De beweging voor vervroegde avondsluiting van winkels en magazijnen steunde de actie voor zitgelegenheid, maar winkeliers hadden het over ‘een overdreven, ziekelijke geschiedenis, waaraan geen enkel verstandig mensch zijn tijd zou verbeuzelen’.

Jacobs had ook de regering benaderd en in de ontwerp-arbeidswetten van 1903 en 1904 werden zitplaatsen voorgeschreven (in 1904 ook voor mannen).

Vakbondsman Edo Fimmen bleef een wettelijke regeling steunen, maar het duurde nog tot 1920 voordat er een arbeidsbesluit lag dat zitplaatsen voorschreef. Ditmaal enkel voor jeugdige personen en vrouwen. In de praktijk bleven stoelen in winkels vaak achterwege, want ja, winkelpersoneel hoorde ‘klaar te staan’. Actie bleef dus nodig. 

 

Peek en Cloppenburg, Den Haag 1911 (Foto: Haags Gemeente Archief)Ooit een gigant in retailland: Piet de Gruyter (Foto: www.pietdegruyter.nlGerzon, Kalverstraat Amsterdam (Foto: Stadsarchief Amsterdam)

 

Ontstaan van en werkverhoudingen in de winkelstraat

Bob Reinalda – december 2025

 

Rond 1880 bestond onder winkeliers weinig concurrentie. In gespecialiseerde zaken was loven en bieden gebruik. Pas tegen 1900 kwamen vaste prijzen in zwang. Met de groei van winkels nam de concurrentie toe.
De Duitse koopman Sinkel begon naast kleding en meubilair ook apothekerswaren te verkopen. Zijn leuze: ‘In de winkel van Sinkel is alles te koop’. Duitse kooplieden als C. en A. Brenninkmeijer, Gerzon en Lampe vestigden hun zaken en filialen in Nederland. Grossierderijen in manufacturen als De Bijenkorf groeiden uit tot veelzijdige winkels en de families Vroom en Dreesmann voegden hun manufacturen- en kledingzaak samen tot één bedrijf.

Andere warenhuizen (‘grand bazars’) dankten hun bestaan aan Franse en Belgische financiers. Die zetten contante betaling door. De kruidenierszaken van Albert Heijn, P.J. de Gruyter en Simon de Wit groeiden uit tot winkelbedrijven met filialen. De Amsterdamse Kalverstraat ontwikkelde zich tot prominente winkelstraat. Etalages werden belangrijk: spiegelruiten aan weerszijden, met de ingang ertussen. Dat werd gevolgd door speciaal ontworpen winkels. Reclame en reclameslogans zoals  ‘sensationele aanbiedingen’, ‘seizoensopruiming’ of ‘uitverkoop’ kregen steeds meer betekenis.

 

Winkelbediendenbond Fraternitas[1] bracht in 1890 de brochure Het lot der winkelbedienden uit. Deze beschreef werktijden van gemiddeld 80 à 90 uur per week, korte pauzes om te eten, altijd staan, slechte atmosfeer (stof, gaslucht, geen ventilatie of juist altijd op de tocht staan), nauwelijks vrij, karige slaapplaatsen voor inwonende bedienden en ‘avances’ van meneer tegenover vrouwelijke bedienden (ook toen al gemeld!).
Voor de winkeliers stond kostenbesparing voorop via laten mee-eten en inwonen – verhullend beschreven als: ‘kost en inwoning vrij’. Bedienden werden aan banden gelegd. Zelfs voor uitgaan in de spaarzame vrije tijd was toestemming van de patroon nodig. Ook naar de klanten toe werden nette en onderdanige manieren verwacht. Met de uitbreiding van het winkelbedrijf kwamen steeds meer vrouwen in dienst, omdat veel verkochte waren bestemd waren voor het huishouden in brede zin. Het ‘zwaardere’ werk in winkels en magazijnen (tillen, uitpakken, bezorgen) gold weer als ‘mannenwerk’.

De ongezonde verhoudingen werden spoedig bekritiseerd: door de arts Aletta Jacobs, de schrijfster Cornélie Noordwal in haar roman De winkeljuffrouw uit l’Oisseau d’Or (1903) en in rapporten en enquêtes van vakbonden. Het onderzoek onder ruim 5800 vrouwen van minister A.S. Talma uit 1915 bevestigde het daarin geschetste beeld.

Maar er bleek nog langdurige georganiseerde werknemersactie nodig om de patriarchale arbeidsverhoudingen te veranderen. Want van de winkeliers zelf kwam die verbetering niet.

 

 

 

[1] In 1888 opgericht door Louis Hermans